Tien tips om te trainen met snelheidsverschillen in de baan. 

De zwembaden gaan weer open en de zwemtrainingen starten. Voorlopig schrijft het corona-protocol voor dat zwemmers elkaar niet mogen inhalen (alleen bij de kant passeren).
Voor zwemtrainers is dat een uitdaging. Hoe maak je een goed schema waarbij je rekening houdt met snelheidsverschillen binnen de baan?

Hierbij tien tips zodat zwemmers elkaar niet in de weg zitten.

1. Deel in op snelheid.
Hoe beter je de snelheden bij elkaar hebt liggen, hoe beter iedereen kan trainen. Dus even geen indeling op basis van kalenderleeftijd, wie elkaar leuk vindt of wie vroeger hard kon zwemmen.
Ook binnen de baan geef je als trainer aanwijzingen wie op welke positie zwemt. De snelste zwemmer gaat voorop. En als dat bij de borstcrawl iemand anders is dan bij de schoolslag, dan geef je aan dat ze even wisselen.

2. Neem als trainer de regie.
Leg de opdracht uit en zeg wanneer je zwemmers moeten vertrekken (bv als je voorganger bij de pion is op 5 meter). Waar vroeger misschien zwemmers lang aan de kant bleven hangen, is dat nu onhandig. Het wordt dus iets meer een militaire operatie – maar dat zwemt uiteindelijk voor iedereen lekkerder. Hou het als trainer positief en vriendelijk, maar zorg dat er gebeurt wat jij wilt.

3. Wijs een hang / inhaalplek aan.
Spreek duidelijk af op welke plek aan de kant er even uitgerust kan worden, en waar je snellere zwemmers kan laten passeren.
Extra passeertip: Heb je er een zwemmer bij die echt beduidend sneller is? Als er ruimte voor is, dan mag deze zwemmer ook incidenteel een keer op 5 meter voor de kant al draaien, om zo sneller te passeren.

4. Puzzel met je schema.
Maak je schema zo dat het niet nodig is dat de hele groep zich telkens bij de kant verzamelt. Zwem bijvoorbeeld 15 * 50 meter, start elke 1.20. Met 8 zwemmers op een baan, laat je hen om de 10 seconde starten. Zo krijg je een geolied ‘treintje’ waarbij er nooit opstoppingen zijn bij de kant.

5. Benut de badruimte optimaal.
Laat bv de helft van de groep vanaf de overzijde vertrekken, om met twee stromen te starten ipv met een lange sliert.

6. Neem vaste starttijden.
Iedereen zwemt 10 * 100 meter, en start bijvoorbeeld elke 2 minuten. De snellere zwemmers houden een tempo aan van 85-90%, en hebben zo een hogere hartslag en meer rust nodig. De langzamere zwemmers houden een tempo aan van 70%, en hebben zo minder rust nodig. Zo kan iedereen elke 2 minuten vertrekken.

7. Versnel en vertraag
Geef de langzamere zwemmers hulpmiddelen die je sneller maken, zoals zoomers of paddels.
Geef de snelle zwemmers hulpmiddelen die hen langzamer maken, zoals een propellor of t-shirt.

8. Varieer in slagen.
De langzamere zwemmers doen alles borstcrawl, de snellere zwemmers doen de terugweg in een andere slag of een techniekoefening. Zo kun je prima wat langere afstanden laten zwemmen waarbij het voor iedereen uitdagend is.

9. Wissel af met armen en benen.
De langzamere zwemmers doen de hele slag, de snellere zwemmers doen de terugweg in alleen armslag of alleen beenslag.

10. Het blijft een team!
Vraag zwemmers om rekening met elkaar te houden: geef ruimte aan mensen die er langs willen. Maar ook: erger je niet als je je even moet inhouden.

Reacties

0