De doe-het-zelver … met twee linkerhanden
“Mag ik vragen waar jij hebt leren zwemmen?” De toon is uitermate vriendelijk maar de achterliggende gedachte straalt er aan alle kanten doorheen. Ik kijk op en zie een trainster met een licht verwarde blik in haar ogen. Het is mei 2012, ik volg mijn allereerste training bij Hellas Triathlon. Dat is ook meteen de eerste keer dat ik überhaupt in groepsverband een zwemtraining volg.
“Zelf geleerd! En ooit wel eens wat aanwijzingen gehad van mede-zwemmers. Maar dat is al lang geleden hoor,” antwoord ik vol optimisme, in een poging een soort van positieve indruk achter te laten. Want mijn snelheid leek tot dit moment redelijk oké. “Ik zie het,” antwoordt ze gevat. “Dit kom ik niet dagelijks tegen.” Hoe de rest van het gesprek verloopt weet ik niet meer, maar één ding was wel duidelijk: mijn zwemslag was blijkbaar nogal … bijzonder.
Ongelijk kon je haar ook niet geven. Als student met een vrij Bourgondisch sociaal leven (en dito postuur) kwam ik er tijdens een periode op Curaçao achter dat het niet ideaal was om met zo’n conditie te proberen heel veel fysieke activiteit te ontplooien. Best vervelend als je heel wat van plan bent te gaan doen en daarbij keer op keer met je neus op de fysieke feiten wordt gedrukt. Dat – en de grappen van je schaterlachende vrienden – word je heel snel zat en dan ga je daar uiteindelijk iets aan doen. Enter mijn zwemcarrière: maanden later ben ik terug in Nederland en besluit ik in een oude zwemshort en met een geleend zwembrilletje in het water van Zwembad De Grote Koppel in Arnhem te springen. Op een rustig moment uiteraard, maar ik ga aan de slag: hallo wereld, hier kom ik!
Hoe word je een coole gast?
We weten allemaal hoe lastig het is om iets nieuws te leren en vrijwel niemand is op dat vlak een uitzondering. Ik besluit me te beperken tot de schoolslag, de enige slag waarmee ik niet buiten adem raak. Echter, na enkele maanden ontstaat zowaar de ambitie om de borstcrawl te leren. De reden: schoolslag ziet er niet cool genoeg uit, vind ik zelf. Een trip down memory lane (ik zwom voor het laatst borstcrawl toen ik mijn B-diploma haalde) en een recente terugblik van Studio Sport op de Olympische Spelen in Sydney helpen me visualiseren hoe het hoort. “Moet kunnen,” hoor ik mezelf denken. Dus op naar het zwembad, dit gaat een doorslaand succes worden. Ter plaatse besluit ik in een moment van helderheid niet meteen van een startblok te springen maar om vanaf de kant te starten. Goeie move: ik zet zo hard mogelijk af en ongeveer vijf minuten later tik ik proestend, maar vol trots de overkant van het bad aan. De scheve blikken van personeel en mede-zwemmers doen me niets – het is gelukt!
Zwemmen blijkt verslavend: vanaf dat moment scherp ik mijn PR op de 25 meter vrijwel dagelijks aan om uiteindelijk uit te komen op een respectabele, doch niet exact bevestigde tijd net onder de minuut. Kracht zetten en wild bewegen blijkt de sleutel: daar ga je steeds harder van. Niemand die me tegenspreekt ook en alle middelen ontbreken: Youtube bestond nog niet en niemand had ooit van een borstcrawlcursus gehoord. En een zwemanalyse? Wat nou, we staan hier niet in een laboratorium!
De eerste zwemtrainer
Dan staat er ineens iemand naast me: “Wil je het een klein beetje leren?” vraagt hij. Ik kijk op en zie de persoon die ik in dit zwembad het meest bewonder: één van de mannen van de Oranjekazerne bij Schaarsbergen. Vaste klanten die regelmatig een hele serie baantjes zwemmen alsof het niks is en zich daarmee hebben verheven tot de heilige, doch onbereikbare stip op mijn zwemmers-horizon. “Ja graag,” antwoord ik schaapachtig. “Okee, zwem maar een stukje achter ons aan,” klinkt het resoluut. Al snel leer ik dat wilskracht je maar tot een bepaald punt brengt. Vijfendertig meter om exact te zijn. Mijn nieuwe zwemmaatjes zien met lede ogen aan hoe ik op dat moment de borstcrawl opgeef en terug ga naar mijn ontzettend niet-coole schoolslag. Aan de overkant vallen strenge blikken mij ten deel maar de zwemtip blijkt goud waard: “Gewoon blijven borstcrawlen, je komt er vanzelf”. Op mijn vraag of er iets is wat ik anders moet aanpakken luidt het antwoord “blijven zwemmen”. Zie je wel, zwemtechniek is overrated. En ze hebben gelijk: in de volgende maanden wordt 35 meter al snel 50 meter. Dan volgt de 100, de 200 en uiteindelijk de 400.
In de maanden daarna dwingt mijn rooster me om vaker in de avond te zwemmen. Geen probleem, ik kan de borstcrawl en ook al zwemt iedereen me nog steeds voorbij, het magische “blijven zwemmen” zit nog steeds in mijn hoofd. Ook als ik op dit moment weer op mezelf ben aangewezen.
Volwassen worden (ook ná je dertigste…)
Jaren gaan voorbij maar het zwemplezier blijft. Ik omarm het feit dat mijn zwemmen niet bepaald het Zwanenmeer van de borstcrawltechniek is en blijf in mijn onuitputtelijke wijsheid doen wat voor mij werkt: molenwieken, hard naar achteren trappen en zo veel mogelijk kracht zetten. De triathlon-ambities komen om de hoek kijken en daardoor maak ik kennis met de hiervoor genoemde groepstraining. En dus die verbaasde blik van mijn trainster tijdens mijn allereerste echte zwemtraining.
Na verloop van tijd hoor ik over een klein bedrijfje dat camera’s onder water plaatst en je daarmee helpt beter te zwemmen. Samen met een vriend (en inmiddels mede-trainer) doe ik mee aan De Zwemanalyse. Twee uur later verlaat ik in shocktoestand het zwembad: blijkbaar moet alles anders en ga ik een leercurve in die lang en mogelijk zeer steil is. Hoe durven ze!?
De analyse die ik even later ontvang is maar liefst 17 pagina’s lang. Elke millimeter die ik beweeg lijkt verkeerd en er is heel wat werk aan de winkel. Zei ik winkel? Maak er maar een complete PC Hooftstraat van! Met wat hulp kom ik in een zwem-technische makeover terecht. Maandenlang worstel ik met de techniek én de snelheid maar uiteindelijk wint de IJzeren Wil om te leren het van de jeugdige koppigheid: mooi is het zwemmen nog steeds niet, maar wél sneller en efficiënter. Waarvan akte, aldus de trainer in mij.
Conclusie
Er is helemaal niets mis met autodidact zijn. Sterker nog, er zijn nu zoveel gratis hulpmiddelen dat je een aardig eind kunt komen door goed te leren hoe je watergevoel ontwikkelt. Echter geldt ook hier: hoe langer je op eigen houtje doorgaat, hoe moeilijker het wordt om verkeerde dingen af te leren. En je gaat dingen verkeerd doen in je eentje, dat is zeker. Koppig of niet, hardnekkige missers liggen veel langer op de loer en het vergt een grote hoeveelheid concentratie om zaken na verloop van tijd opnieuw aan te leren. Is het dan een onmogelijkheid? Zeker niet! Sterker nog: een goede trainer weet je binnen een uur al beter te laten zwemmen. Waarvan akte, alweer.
Bijwerkingen
Een bijkomend nadeel van een autodidact is overigens niet alleen een potentieel gebrek aan technische slimheid. Ook op het vlak van etiquette bleek ik bij vlagen aardig wat tekort te komen:
De jaren voor die verbaasde trainster had ik voornamelijk geoefend in het plaatselijke zwembad van het dorp waar ik ben opgegroeid. Iedere dinsdag-, woensdag- en donderdagavond, strak langs de kant in baan 5. Dat was mijn baan en die andere zes (soms zeven) bezoekers hadden daar niets te zoeken. En dat deden ze ook niet, leve de beschermde status van PBZ (Plaatselijke Borstcrawl-Zwemmer). Dat je oude juf van de basisschool klaagde dat haar kapsel nat werd als je te wild keerde, was een leuk verhaal voor achteraf, dat ene chagrijn aan de overkant van het bad lachte toch al nooit en die lieve maar ietwat luidruchtige mevrouw uit het begeleid-wonen-blokje aan de overkant van de weg bedoelde het allemaal goed. Niets aan de hand en het personeel vond alles best…
Nou René, welkom in de stad! Al na vijf minuten word ik bij mijn zwembroek gegrepen met de mededeling “we halen niet zo strak langs elkaar in tijdens een training” . En even later krijg ik scheve blikken als ik vraag waar een pullbuoy eigenlijk goed voor is als je er toch niet mee opschiet. En of we iets sneller kunnen, want ik had sowieso geen idee wat drafting precies was en waarom ik dus zo lang op mijn voorganger moest wachten. Want ik raakte hem toch niet?
Gezond verstand? Deels wel. We hebben er bij Zwemanalyse al vaker over geschreven en het helpt echt om af te spreken met je baangenoten hoe het in zijn werk gaat.
Al met al heb ik ontzettend veel geleerd, een mooie zwemleercurve: onbewust onbekwaam, bewust onbekwaam, bewust bekwaam en uiteindelijk onbewust bekwaam.
Super geschreven, hardop gelachen en veel herkenning ! Dank je wel!
Leuk om te horen Karin!